Zijn aandacht gaat vooral uit naar submanische en constitutionele vormen, waarvan de eerste kenmerken vaak al in de adolescentie verschijnen zonder de intensiteit van een acute manie te bereiken. Op basis van meerdere ziektegeschiedenissen bespreekt hij erfelijkheid, vroege ontwikkeling, sociaal gedrag en het verloop van de aandoening. Hij noteert onder meer gedachtevlucht, uitbundigheid, prikkelbaarheid, zelfoverschatting, rusteloosheid, alcoholmisbruik en terugkerende conflicten met sociale normen. De terminologie is die van de psychiatrie rond 1900, maar de studie behoort tot de vroege voorgeschiedenis van wat tegenwoordig als stemmingsproblematiek wordt onderzocht.
Het affect staat centraal in Jungs redenering. Volgens hem bepaalt het verstand niet altijd de handeling. Het kan ook achteraf redenen construeren voor impulsen die voortkomen uit de affectieve en karakterologische structuur van de persoon. Met een verwijzing naar Schopenhauer stelt hij dat de mens handelt overeenkomstig zijn wil, maar dat die wil noodzakelijk voortvloeit uit wat hij is. De manische stemming wordt zo een onderzoeksterrein voor de verhouding tussen karakter, wil, emotie en gedrag.
Deze Nederlandse vertaling gebruikt een nauwkeurige terminologie en een leesbare hedendaagse zinsbouw. Het nawoord bespreekt de psychiatrische achtergrond, Jungs opvattingen over het affect en de plaats van het essay in zijn intellectuele ontwikkeling. Een chronologie, een begrippenregister en historische toelichtingen verduidelijken de diagnostische categorieën die aan het begin van de twintigste eeuw werden gebruikt.