Psychoanalytisch bewijs heeft volgens hem niet altijd dezelfde vorm als bewijs in de natuurwetenschappen. Het berust op opeenstapeling van klinische waarnemingen, de samenhang van associaties en het terugkeren van vergelijkbare mechanismen bij verschillende personen. Veel tegenstanders wijzen zulke bevindingen af zonder de hoofdteksten te hebben bestudeerd, de methode zelf te hebben toegepast of een concurrerende verklaring te bieden voor dezelfde verschijnselen.
Een deel van het artikel behandelt een bijzonder vijandige kritiek op Freuds theorieën over kinderlijke seksualiteit en anale erotiek. Jung gebruikt deze reactie om te laten zien dat wetenschappelijke bezwaren zelf affectief bepaald kunnen zijn. De psychoanalyse roept sterke weerstand op omdat zij gevestigde morele en culturele voorstellingen van de menselijke natuur aantast. Dit argument vervangt het bewijs niet, maar vraagt om een onderscheid tussen methodische weerlegging en emotionele afwijzing.
Jung verdedigt Freud, maar wil de psychoanalyse niet tot een gesloten leer maken. Theorie moet kunnen veranderen onder invloed van ervaring en ruimte laten voor verschillende vormen van psychische causaliteit. Het nawoord, de chronologie en het filosofische register plaatsen de tekst binnen de controverses van 1910 en maken zichtbaar hoe verdediging van de psychoanalyse hier samengaat met Jungs groeiende intellectuele zelfstandigheid.