Een droom is voor Jung geen willekeurige opeenvolging van zinloze beelden. Hij bevat samengebalde herinneringen, wensen, conflicten en associaties die het waakbewustzijn niet onmiddellijk herkent. De interpretatie moet daarom de persoonlijke verbanden van de dromer volgen en mag niet uitgaan van een vast symbolenwoordenboek. Jung neemt Freuds ideeën over wensvervulling en verdringing over, maar kent al meer gewicht toe aan de compenserende functie van de droom. Een droom kan een te eenzijdige bewuste houding corrigeren door een verwaarloosd perspectief naar voren te brengen.
Het symbolische bereik wordt bovendien ruimer dan een uitsluitend seksuele of infantiele lezing. Droombeelden kunnen uit persoonlijke ervaringen voortkomen, maar ook aansluiten bij culturele, religieuze en mythische tradities. Dit is nog geen voltooide archetypenleer. Het essay laat wel zien hoe Jung de droom geleidelijk opneemt in een algemener model van psychische zelfregulatie.
Omdat de tekst oorspronkelijk Frans is, betreft deze Nederlandse uitgave een directe vertaling uit die taal. Het nawoord behandelt de publicatiecontext, de verhouding tussen Freud en Jung en de plaats van de droom in de analytische psychologie. Een chronologie, een begrippenregister en vergelijkende toelichtingen maken het werk toegankelijk als document van de vroege Franstalige ontvangst van de psychoanalyse.